Decor

Leven dat hier bestond
behoudt een aanwezigheid
waardiger dan wat nu lijkt
zo tastbaar te zijn. Kijk
onder de stenen: grond.

Dwars door je nieuwe huis
in een andere ruimte van tijd
stappen jagers over een ijs-
harde akker. De hagel bijt
in je dromen. De smaak van kruit.

Ter hoogte van je bed
loopt een sloot tussen velden door.
Vissen trekken een spoor
van bellen achter je net
afgewend hoofd. Het decor

waarin je bent neergezet
wordt al doorzichtig, slijt
als papier op de vouwen door
onder de schurende tijd.
Daarachter weer het wijd
waaiend landschap. Werkelijkheid.

Willem van Toorn (Amsterdam, 1935) uit: Gedichten 1960-1997, uitgeverij Querido, Amsterdam 2001.

Als ik dit gedicht lees, schiet me altijd een herinnering aan begin jaren negentig te binnen. Ik fietste door wat toen nog het buitengebied van Amersfoort-Noord heette en inmiddels een kolossale nieuwbouwwijk is met de onzalige naam Vathorst. Voorop zat mijn zoon Stijn, ik denk twee jaar oud. We genoten van de slingerende weggetjes en mooie doorkijkjes. Het was een soort paradijs, maar de dreigende zondeval kondigde zich al aan. Her en der waren landmeters aan het werk en stonden boerderijen leeg.

Op een gegeven moment kwamen we op een plek waar een boerderij werd gesloopt. Een machine duwde met zijn zwaaiende grijparm de ene na de andere wand omver, alsof het niks was. We kregen een inkijkje in kamers waar ooit ouders sliepen en kinderen speelden. In een mum van tijd werd die huiselijke geschiedenis ontmanteld. Ik dacht: dit vindt die kleine jongen vast fascinerend. Maar al snel begon hij hard te huilen. Hij wilde weg. Hij kon het kennelijk niet aanzien, en ik eigenlijk ook niet.

Sinds ik in 1980 in Amersfoort voor studie neerstreek, is de stad alleen maar uitgedijd naar het noorden. De ene na de andere nieuwbouwwijk werd uitgerold over het kleinschalige landschap dat zich hier in de loop der eeuwen ontwikkelde. Hier en daar bleven oude lijnen in het landschap zichtbaar – een weggetje, een bomenrij – maar vaker werd het verleden weg gebulldozerd. Voorgoed verdwenen. In plaats daarvan kwamen duizenden woningen, want ja, mensen moeten ook wonen. En zelf moest ik ook wonen en kwam ik – dat zul je zien – in de nieuwbouw terecht die ik tegelijk verfoeide.

Zo gaat dat, je wordt in onze samenleving vanzelf medeplichtig en dan moet je dus je mond houden. Maar het idee aan het leven dat hier bestond, zoals Willem van Toorn zegt, kan ik ook na veertig jaar nog niet loslaten. Nog steeds trek ik oude lijnen in het landschap, moet ik denken aan verdreven bewoners en zie ik tussen steenklompen koeien grazen. Ja, ik ben wel een romanticus.

Daarom vind ik dit gedicht van Willem van Toorn zo mooi; ook een romanticus, maar eentje die tegelijk scherpe maatschappijkritiek niet schuwt. Hij verzet zich al zijn leven lang tegen de teloorgang van het landschap. Hij heeft een hekel aan het aangeharkte Nederland, waar ik zelf ook slecht tegen kan.

Hij kan, vermoed ik, ook wel janken om het neerhalen van een oude boerderij. En ondertussen ziet hij dat het verdwenen leven gewoon doorgaat. Ondergronds. Buiten beeld, maar het is er wel. Het is volgens hem zelfs waardiger dan wat nu zo tastbaar lijkt. Het speelt zich af in een andere ruimte van tijd.

Je kunt dit gedicht daardoor ook op andere niveaus lezen, maar ik houd het graag aards. Ik kijk onder de stenen van mijn – volgende – nieuwbouwwijk en zie: grond. Als ik niet kan slapen, doemen jagers op die over de ijsharde akker stappen en vissen die ver onder mijn comfortabele boxspring een spoor van bellen trekken. Het verleden komt boven, neemt wraak. Het nu is maar dunnetjes, een decor. Dat kan verontrusten, maar er zit ook iets troostends in.

Er is meer dan wat je ziet. Ik kan me in de huizenwoestijn van ons volle landje soms danig ontworteld voelen, maar in zo’n gedicht kan ik wel wonen. Het verbindt me met een andere wereld die vaak verdwenen lijkt, maar er wel degelijk nog is. Je hebt er alleen wat verbeelding voor nodig – en daarbij helpt zo’n gedicht. Het geeft lucht, het biedt zicht op wijd waaiend landschap.”