In 1662 vond in het Schotse Auldearn een gruwelijke terechtstelling plaats. De van hekserij beschuldigde Isobel Gowdie werd door wurging en verbranding om het leven gebracht. Ze was niet het eerste en laatste slachtoffer van de massahysterie der heksenvervolging, die Europa sinds de vijftiende eeuw in de greep hield.

Ruim drie eeuwen later werd haar verhaal gelezen door een jonge, Schotse componist. Hij was gechoqueerd en geroerd door het relaas en besloot een werk van barmhartigheid en menselijkheid te doen. Namens zijn volk wijdde hij aan Isobel in 1990 een orkestwerk: ‘The confession of Isobel Gowdie’. Het was een vorm van eerherstel voor en rehabilitatie van de vermoorde Isobel.

Ook was het een plaatsvervangend toegeven van een beschamende, collectieve schuld. De gelaagde betekenis van het woord ‘confession’ was in dit verband veelzeggend. Het duidde zowel op de afgedwongen bekentenissen van Isobel als op de schuldbelijdenis van haar volksgenoten.

Voor scherp afgestemde katholieke oren klonk er overigens ook iets anders in mee. Het begrip ‘belijder’ duidt namelijk ook degene aan, die heeft moeten lijden omwille van het Rijk Gods en daarom wordt heilig verklaard. Wilde de componist suggereren, dat Isobel Gowdie die eer te beurt moest vallen?

Gevoelige snaar

De componist in kwestie was James MacMillan (1959). Het muziekwerk betekende zijn doorbraak als toondichter, zowel bij uitvoerende musici als bij het bredere muziek-publiek. Hij raakte er bij velen een gevoelige snaar mee, toonde zijn meesterschap en legde zijn kaarten op tafel.

MacMillan, tot op heden niet wars van stevige statements en zelfprofilering, liet weten wat en wie hij was: een katholiek componist en een Schot in al zijn vezels. Voor zijn werk maakte hij dankbaar gebruik van de traditionele, Keltische klankwereld van zijn land, hetgeen onmiddellijk door de luisteraar kon worden herkend en waardoor het hart rechtstreeks werd geraakt.

Sindsdien de première van ‘The confession’ is MacMillans muziek niet meer weg te denken uit de concertzalen en kerken. Ook in Nederland is hij een graag geziene gast. In 2009 wist hij zelfs Bach van de troon te stoten, toen in het Amsterdamse Concertgebouw op Palmzondag zijn vers gecomponeerde Johannespassie klonk en niet één van de traditionele Bachpassies. Velen fronsten hun wenkbrauwen, maar musici en publiek sloten de Schot in het hart.  

Wat is het ‘geheim’ van MacMillans succes en populariteit? Om antwoord te geven op deze vraag, moeten we natuurlijk op de eerste plaats zorgvuldig naar zijn muziek luisteren. En dan horen we klanken die ons enerzijds geconcentreerd op het puntje van onze stoel doen zitten en die ons anderzijds in vervoering brengen. Ze spreken het hoofd aan, maar ook het hart. Maar dat alles is nog geen verklaring van de charme van MacMillans werk. Daarvoor moeten we dieper graven en op zoek gaan naar de man achter de muziek, zijn inspiratie en zijn passie.

James MacMillan
De van hekserij beschuldigde Isobel Gowdie werd in 1662 door wurging en verbranding om het leven gebracht. James MacMillan wijdde namens zijn volk aan Isobel in 1990 een orkestwerk.

Parel aan de Britse kroon

James MacMillan werd ruim zestig jaar geleden geboren in een Schots arbeidersmilieu en groeide op in een katholiek gezin. Bekrompen was het milieu niet, want men liet de jonge James naar een protestantse school gaan. De opgroeiende James sloot zich zelfs tijdelijk aan bij een uiterst linkse politieke beweging, zonder overigens van zijn geloof te vallen.

De muziek werd hem met dezelfde paplepel ingegoten als de religie. Het één was met het ander verbonden. Het was de liturgische koormuziek in de katholieke traditie, die de muzikale en religieuze ader van MacMillan aanboorde. Het was laagdrempelige muziek, waarvoor je niet naar de concertzaal hoefde, maar alleen maar op zondag naar de kerk hoefde te gaan.

Ook die andere muziek van de ‘gewone man’ deed het hart van MacMillan al vroeg opengaan: de gouden klank van de brassbands. et Het HDe twee genres van de koor- en de blaasmuziek zijn namelijk vanouds onlosmakelijk verbonden met het dagelijks leven van brede lagen van de Britse bevolking.

Het heeft geleid tot een indrukwekkend en hoogstaand amateurcircuit van zangers en blazers – de ‘parel aan de Britse kroon’, aldus MacMillan. En nergens ter wereld wordt er tot vandaag de dag zoveel gecomponeerd voor amateurkoren als in Engeland en Schotland. Ook in Nederland hebben vrijetijdszangers de noten van MacMillan en zijn hedendaagse Britse collega’s graag op hun zang.

De verheven koormuziek van de kerk en de hartverwarmende blaasmuziek van de straat: ze maakten MacMillan tot de componist die hij nu is. In zijn oeuvre is het hemelse en verhevene altijd verbonden met het aardse en alledaagse. Het objectieve van het ritueel klinkt erin door, maar ook het subjectieve van het gevoel.

In MacMillan's oeuvre is het hemelse en verhevene altijd verbonden met het aardse en alledaagse

Eric Corsius

Ook al wordt MacMillan vaak op één lijn geplaatst met Arvo Pärt en andere hedendaagse ‘spirituele’ toondichters: hij voelt meer verwantschap met componisten als Francis Poulenc die in hun religieuze werk een stem wilden geven aan de natuur en de menselijke hartslag.

Deze invloed is merkbaar in zijn toonzetting van de zeven kruiswoorden en het Stabat Mater. Ook het feit dat de katholiek MacMillan zich al vroeg stortte op het ‘protestantse’ genre van de passiemuziek spreekt boekdelen. Bij uitstek in dit genre, net als de opera erfgenaam van de Griekse tragedie en het middeleeuwse mysteriespel, komen ritueel en drama samen. MacMillan zelf voegde aan het omvangrijke passierepertoire een eigen Johannes- en een Lukaspassie toe.

Politiek agnost

Zijn jeugdige flirt met het communisme heeft MacMillan afgezworen. Hij noemt zich nu een politieke agnost. Hij is wars van ideologie en rechtlijnigheid, zowel in de politiek als in de muziek, zo zegt hij zelf. Des te meer verbaast het, dat MacMillan zichzelf stellig kan uiten en een uitgesproken conservatief profiel heeft op wijsgerig, politiek, muzikaal en religieus gebied.

Dit conservatisme heeft echter niet zozeer te maken met academisch dogmatisme, als wel met de behoefte om een antwoord te geven op de eeuwige zinvragen van de mens, vragen die in de 20e eeuw indringender zijn geworden dan ooit. MacMillan meent, dat het modernisme heeft gefaald in het geven van een antwoord op deze vragen.

De progressieve denkers en kunstenaars uit de twintigste eeuw – met name op het Europese vasteland - hebben geprobeerd een lege bladzijde op te slaan, bij een historisch nulpunt te beginnen en vandaaruit een nieuwe maatschappij en een nieuwe kunst te ontwerpen. Ze dachten utopisch, vanuit de ‘niet-plaats’ (Grieks: ou-topos).

Dat alles is volgens MacMillan een doodlopende weg. Voor het antwoord op onze existentiële vragen moeten we juist de continuïteit zoeken en te rade gaan bij het lokale, bij de tradities en verhalen van onze eigen cultuur en geschiedenis.

Zijn afkomst en zijn linkse jeugd hebben in MacMillan overigens wel één onuitwisbaar spoor nagelaten: zijn inzet voor de ‘gewone mensen’

Eric Corsius

Voor MacMillan is dat de Schotse cultuur, geschiedenis en verhalen – zoals het verhaal over Isobel Gowdie. Op muzikaal gebied is dat de bijna vergeten Schotse muziek van vóor de reformatie. Geen wonder dat hij grote verwantschap voelt met de conservatieve Schotse wijsgeer Alisdair MacIntyre. Van hem zette MacMillan zelfs een tekst op muziek.

Zijn afkomst en zijn linkse jeugd hebben in MacMillan overigens wel één onuitwisbaar spoor nagelaten: zijn inzet voor de ‘gewone mensen’. Hij is een vurig pleitbezorger voor breed toegankelijke muziekeducatie en, zoals gezegd, spreekt hij als componist ook een begrijpelijke en herkenbare taal.

We zouden hem echter onrecht doen, als we hem zouden verdenken van populisme en oppervlakkigheid. Hij neemt zijn luisteraars serieus en vraagt van hen ook, dat ze zich oefenen in het luisteren. Van muziek kun je genieten, maar je krijgt dat niet cadeau.

Toegankelijke muziek betekent geen gemakkelijke muziek. MacMillan is afkerig van de hoog-complexe ‘piep-kras-knor’-muziek van de modernisten, maar even wars van gemakkelijke feel-good-klanken – al zullen velen vinden dat hij zich soms bezondigt aan een ronkend pathos. Met zijn balanceerkunst tussen abstractie en banaliteit is MacMillan overigens een volbloed vertegenwoordiger van de Britse componistentraditie uit de twintigste eeuw.

Stilte luistert naar stilte

Onoprechtheid kan MacMillan in elk geval niet worden verweten. Eén van zijn sleutelervaringen is een dramatische gebeurtenis in zijn leven. In 2010 kwam zijn kleindochter Sara Maria op de wereld. Ze was zwaar geestelijk en lichamelijk gehandicapt en werd nog geen zes jaar oud.

Voor MacMillan betekende het een lijdensweg en een tijd van innerlijke strijd, waarin zijn geloof op de proef werd gesteld. Uiteindelijk echter leerde de componist door en van zijn kleindochter andere vormen van contact en communicatie kennen en waarderen. De man van de oren, leerde de ogen ontdekken. De man van de klank ontdekte de betekenis van de stilte. In zijn eigen woorden:

“Sara keek ons altijd met intense verrukking aan. Zwijgzaam en stil. Naar Sara kijken, zo denk ik wel eens, was misschien zoiets als het zwijgzaam kijken in de ogen van een icoon. Als we dat doen, krijgen we eigenlijk een inkijkje in de schoonheid van de goddelijke aanwezigheid. De ogen van de icoon worden tot ramen die zicht geven op Gods ziel. En God kijkt terug. Ik zou alles ervoor geven, om nog één keer in Sara’s ogen te kijken. Dat was een ervaring van tederheid die naar tederheid kijkt. Stilte die naar stilte luistert.”

Zo leidde de Jobservaring van MacMillan niet tot een breuk met het geloof, maar tot een spirituele en mystieke verdieping ervan. Hij ontdekte de stilte als de plaats waarin God tot ons spreekt. Het geconcentreerde zwijgen, de voorwaarde om muziek op waarde te schatten en te genieten, is ook de voorwaarde om God, elkaar en onszelf te leren kennen.

Zo leidde de Jobservaring van MacMillan niet tot een breuk met het geloof, maar tot een spirituele en mystieke verdieping ervan. Hij ontdekte de stilte als de plaats waarin God tot ons spreekt.

Eric Corsius

De God die MacMillan bedoelt, is overigens niet de abstracte allemans god van het iets-isme. Het is de God die zich concreet in Christus heeft geopenbaard en in Christus tot ons spreekt. Juist die focus op Christus, vooral van de lijdende en verrezen Christus, heeft voor MacMillan een universele betekenis, ook en juist voor onze moderne tijd:

“De persoon van Christus zelf, in zijn dood en opstanding, staat in een voortdurende en onbeheersbare interactie met de ziel van de moderne mensen. Ook en juist nu we meer dan ooit zijn losgezongen van liturgische verplichtingen, kunnen we de kruisiging in een breder verband zien. Bachs passiemuziek bewijst, dat de passie van Christus zelfs bij de moderne mens een grote weerklank vindt: Bach opende een raam op de goddelijke liefdesgeschiedenis met de mensheid. En elke kunstenaar van elke tijd heeft de roeping, om hetzelfde te doen.”

Dit roepingsbesef: het is wellicht de sleutel tot MacMillans geheim. Velen zal zijn muziek te ouderwets in de oren klinken, voor anderen zal zij wellicht weer te modern klinken en voor weer anderen te pathetisch en opdringerig. Maar ze is altijd de oprechte ontboezeming van een man, die met zijn kunst God en de mens een dienst wil bewijzen. Al bestaat die dienst er maar in, het raam op de eeuwigheid op een kier te zetten.

Sir James MacMillan tijdens zijn 60e verjaardag | 2019 International Festival Edinburgh